Search
Search

Flora en Fauna soorteninformatie

 
Zoeken
 
 
Zoeken


Gebied
Biotoop
Project

 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Platwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
Zeevogels
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 1221 items in 62 pages
ZoekbeeldKenmerken
 
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 1221 items in 62 pages
Amerikaanse zwaardschede
Ensis leei


Lees verder...
Amerikaanse zwaardschede
Ensis leei
<p>Mariene tweekleppige. Tot 19 cm. Zeer langgerekte, gebogen schelp. Ruim zes maal zo lang als breed; grootste breedte in het midden of (vaak) achteraan. Kleurpatroon van roze tot bruinpaarse bandjes op een lichtere ondergrond. Opperhuid olijfgroen of -bruin.&nbsp;Een grote instroomopening (siphon) met&nbsp;fijne uitstulpingen&nbsp;rond de&nbsp;rand en een gladde&nbsp;uitstroomopening. Massaal aangespoeld op stranden, levend in slikgebieden van Zeeland en Waddengebied.</p>

Lees verder...
Ensis leei

Mariene tweekleppige. Tot 19 cm. Zeer langgerekte, gebogen schelp. Ruim zes maal zo lang als breed; grootste breedte in het midden of (vaak) achteraan. Kleurpatroon van roze tot bruinpaarse bandjes op een lichtere ondergrond. Opperhuid olijfgroen of -bruin. Een grote instroomopening (siphon) met fijne uitstulpingen rond de rand en een gladde uitstroomopening. Massaal aangespoeld op stranden, levend in slikgebieden van Zeeland en Waddengebied.

Afmeting: 3,5 x 19,0 cm.
Schelpkleur: Patroon van roze tot bruinpaarse bandjes op een lichtere ondergrond. Opperhuid glanzend olijfbruin en schilferig na droging.
Schelpvorm: Vrij dunschalige schelp. Duidelijk gebogen. Zeer langgerekt: zes maal zo lang als breed; de grootste breedte ligt vaak achteraan, soms meer in het midden. De voor en achterrand zijn gelijkmatig afgerond.

Sculptuur: Het oppervlak is glad met alleen groeilijnen.
Slot: Heterodont. In de rechterklep één cardinale en één laterale tand, in de linkerklep twee cardinale en twee laterale tanden.
 Slotband uitwendig.
Binnenzijde schelp: Het voorste (langwerpige) spierindruksel aan de binnenkant is ongeveer even lang als de slotband.

 

Oorspronkelijk een soort van de Amerikaans-Canadese kust. In West-Europa een exoot. Nadat larven met ballastwater van schepen in het Duitse Elbe-estuarium terecht kwamen (1979, Hamburg), heeft de soort zich zowel in noordelijke als zuidelijke richting uitgebreid. De Nederlandse, Belgische en Deense kust werden snel gekoloniseerd en ook de Zweedse en Franse kusten en het Oostzee-gebied zijn al bereikt. In Nederland voor het eerst waargenomen in de Waddenzee in 1982. In 1984 werd Zandvoort bereikt en in 1986 Katwijk-Noordwijk. Vaak massaal aangespoeld op het strand. In de kustnabije Noordzee, de Waddenzee  Zeeuwse wateren is het de meest algemene Ensis-soort.

- Waarnemingen Amerikaanse zwaardschede.
- Verspreiding Amerikaanse zwaardschede 

De dieren leven rechtstandig in zelfgegraven, decimeters diepe gangen in de bodem. Ze zitten in ongestoorde toestand vlak onder het bodemoppervlak, met alleen de korte sifonen boven de bodem. dieren verraden. Bij verstoring trekken ze zich razendsnel in hun gang terug. Anders dan de andere Ensis-soorten, leeft de Amerikaanse zwaardschede zowel in het intergetijdengebied als in de subgetijdenzone en dieper. In de open Noordzee vooral tot ca. 15 m in medium en grof zand, maar ook in fijn substraat en slikgebieden.Tussen 15 tot 35 m zijn de presenties laag en beneden de 35 m ontbreken ze. Het zijn filteraars. Water wordt via de instroomsifo opgezogen en langs de kieuwen geleid, die er plankton, algen en ander zwevend voedsel uit zeven. Daarna verlaten reststoffen en water via de uitstroomsifo het lichaam weer. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting gaat via de waterkolom. De soort groeit snel, vermoedelijk het snelst van alle Europese Ensis-soorten. Ze worden gemiddeld 3-4 jaar, maar kunnen mogelijk tot 8 jaar worden.

 

876640

SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|SMP|Exoten
Artemisschelp
Dosinia exoleta


Lees verder...
Artemisschelp
Dosinia exoleta
Mariene tweekleppige. Tot 50 cm. Cr&egrave;me met radiale, stralende strepen van V-vormige vlekken. Stevige cirkelronde schelp. Top gebogen. Regelmatige concentrische ribben. Diepe mantelbocht. Onderrand niet gekarteld. In zandbodems. Spoelt weinig aan.

Lees verder...
Dosinia exoletaMariene tweekleppige. Tot 50 cm. Crème met radiale, stralende strepen van V-vormige vlekken. Stevige cirkelronde schelp. Top gebogen. Regelmatige concentrische ribben. Diepe mantelbocht. Onderrand niet gekarteld. In zandbodems. Spoelt weinig aan.

Afmeting: 50  x 50 mm.
Schelpkleur:
 Crème of strokleurig met vaak een patroon van radiale, vanuit de top stralende banden van donkergekleurde V-vormige streepjes en vlekken. De binnenkant is glanzend wit.
Schelpvorm: Stevige, matig bolle, cirkelronde schelp. De top is naar voren gebogen. Voor de top ligt een hartvormig maantje (lunula). Verder is er nog een onduidelijk smal langwerpig rugveld (escutcheon).
Sculptuur:
Regelmatige concentrische ribben. Vóór het maantje is de curve die de schelprand maakt hoog.
Slot:
Heterodont; beide kleppen met 3 cardinale tanden. Slotband gedeeltelijk uitwendig.
Binnenzijde schelp:
Diepe mantelbocht. De onderrand is niet gekarteld.

 

Van de Noorse Zee en de Oostzee tot aan Gabon. Ook in de Middellandse Zee. In de Noordzee komen de meeste vondsten van de Doggersbank en de Oestergronden, inclusief het Friese Front, met diverse vindplaatsen ten zuiden van de 30 m-dieptelijn. 

Op het strand: Er worden zo nu en dan  verse exemplaren gevonden (verse schelpen, zelden doubletten) op het strand van met name de drie noordelijke Waddeneilanden. Ook aanwezig in materiaal van strand- en vooroeversuppleties bij onder meer Texel en Ameland, zowel vers als fossiel.

Van vlak onder de laagwaterlijn tot 100 m diepte. De dieren leven vrij diep (6-8 cm) ingegraven in middelgrof tot grof zand, al dan niet met schelpresten. In de bodem zitten de dieren gewoonlijk verticaal, met de top en bovenste schelprand parallel aan het bodemoppervlak. De sifobuis komt aan de achterzijde in horizontale toestand uit de schelp, buigt dan naar boven tot de uiteinden iets boven de bodem uitsteken. 141911SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Asgrauwe keverslak
Lepidochitona cinerea


Lees verder...
Asgrauwe keverslak
Lepidochitona cinerea
<p>Keverslak. Mariene soort. Tot 28 mm. Platte ovale dieren met acht vrij hoog gewelfde en meestal gekielde, afzonderlijke schelpplaten, die als dakpannen over elkaar liggen. Kleur inclusief gordel variabel: grijsgroen, wit, geel, rood en vlekkenpatronen. Leeft vastgehecht aan hard substraat (stenen, schelpen) in het litoraal van slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied.</p>

Lees verder...
Lepidochitona cinerea

Keverslak. Mariene soort. Tot 28 mm. Platte ovale dieren met acht vrij hoog gewelfde en meestal gekielde, afzonderlijke schelpplaten, die als dakpannen over elkaar liggen. Kleur inclusief gordel variabel: grijsgroen, wit, geel, rood en vlekkenpatronen. Leeft vastgehecht aan hard substraat (stenen, schelpen) in het litoraal van slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied.

Afmetingen: L. tot 28 mm, B. 9 mm. (Meestal kleiner.)
Schelpkleur:
 variabel wit, geel, rood, bruin, groen, oranje en verschillende vlekkenpatronen. Ook de gordel heeft deze kleuren. Dieren uit slikkige milieus zijn vaak minder kleurrijk dan dieren uit meer zandige milieus. In Nederland domineren grijs en grauwgroen.
Schelpvorm: De schelpplaten zijn vrij hoog gewelfd en meestal duidelijk gekield. De apofysen zijn breed maar kort. Het aantal insnijdingen aan de onderzijde van de insertieranden is variabel. De kopplaat heeft 7-11 (meestal 8) insnijdingen, de tussenplaten hebben er één aan elke zijde en de staartplaat heeft er 6-16 (meestal 10-12).
Sculptuur:
Schelpplaten met een vrij uniform en fijn gegranuleerd tegmentum, met onregelmatig ovale en om en om geplaatste korrels. Op beide zijkanten van de centrale velden van de tussenplaten zijn de korrels meer in onregelmatige lengterijen geplaatst.
Gordel:
De rondom lopende, ca. 2-3 mm brede gordel is bedekt met kleine, met het blote oog vrijwel niet waarneembare, korte kalkstekeltjes.

Overig: Kenmerken dier: aan de onderzijde meestal lichtgrijs, gelig, roze of oranje van kleur.

Op basis van monsternames vallen geen landelijke trend en afzonderlijke trends voor deelgebieden te bepalen. Uit de MOO-duikwaarnemingen in de periode 1997-2011 blijkt geen toe- of afname in de Oosterschelde. In het Grevelingenmeer komt tussen 1997-2011 een afname naar voren, gevolgd door gering herstel. In de Westerschelde en het Waddengebied lijkt een afname zichtbaar t.o.v. 1985, alsmede een afname aan areaal. De afname in de Waddenzee zou te maken kunnen hebben met de afname van mosselbanken begin jaren 90. Het ingezette herstel van deze banken en de opkomst van Japanse oesters zouden weer tot een toename van deze soort kunnen leiden.

Voorkomend in geheel Europa, inclusief de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Alleen op IJsland nog niet aangetroffen. In Nederland is dit de enige algemeen voorkomende keverslak.

Op het strand: De dieren leven niet langs de zandige kust maar in de slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied. Meldingen langs de Hollandse kust tussen IJmuiden en Hoek van Holland hebben te maken met aangevoerd materiaal, fossiele schelpplaten of determinatiefouten.

Mariene soort. Leeft onder stenen en schelpen op een zand- of slikbodem,voornamelijk in het getijdengebied, tot enkele meters diep (zelden tot 70 m). Van alle Noordwest-Europese keverslakken kan de Asgrauwe keverslak het beste tegen zoet water (euryhaliene soort). De soort kan strenge winters verdragen, maar ook warmere perioden.

De dieren zijn van gescheiden geslacht. Bevruchting gaat via de waterkolom, in juli-oktober. De larven maken maar kort deel uit van het plankton, zakken dan naar de bodem, waar de rugplaten ontwikkeld worden. De dieren zijn omnivoor en eten vooral algen en siatomeeën. Ze worden doorgaans niet ouder dan 5 jaar.

 140143SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|ANM
Asgrauwe keverslak
Lepidochitona cinerea


Lees verder...
Asgrauwe keverslak
Lepidochitona cinerea
<p>Keverslak. Mariene soort. Tot 28 mm. Platte ovale dieren met acht vrij hoog gewelfde en meestal gekielde, afzonderlijke schelpplaten, die als dakpannen over elkaar liggen. Kleur inclusief gordel variabel: grijsgroen, wit, geel, rood en vlekkenpatronen. Leeft vastgehecht aan hard substraat (stenen, schelpen) in het litoraal van slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied.</p>

Lees verder...
Lepidochitona cinerea

Keverslak. Mariene soort. Tot 28 mm. Platte ovale dieren met acht vrij hoog gewelfde en meestal gekielde, afzonderlijke schelpplaten, die als dakpannen over elkaar liggen. Kleur inclusief gordel variabel: grijsgroen, wit, geel, rood en vlekkenpatronen. Leeft vastgehecht aan hard substraat (stenen, schelpen) in het litoraal van slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied.

Afmetingen: L. tot 28 mm, B. 9 mm. (Meestal kleiner.)
Schelpkleur:
 variabel wit, geel, rood, bruin, groen, oranje en verschillende vlekkenpatronen. Ook de gordel heeft deze kleuren. Dieren uit slikkige milieus zijn vaak minder kleurrijk dan dieren uit meer zandige milieus. In Nederland domineren grijs en grauwgroen.
Schelpvorm: De schelpplaten zijn vrij hoog gewelfd en meestal duidelijk gekield. De apofysen zijn breed maar kort. Het aantal insnijdingen aan de onderzijde van de insertieranden is variabel. De kopplaat heeft 7-11 (meestal 8) insnijdingen, de tussenplaten hebben er één aan elke zijde en de staartplaat heeft er 6-16 (meestal 10-12).
Sculptuur:
Schelpplaten met een vrij uniform en fijn gegranuleerd tegmentum, met onregelmatig ovale en om en om geplaatste korrels. Op beide zijkanten van de centrale velden van de tussenplaten zijn de korrels meer in onregelmatige lengterijen geplaatst.
Gordel:
De rondom lopende, ca. 2-3 mm brede gordel is bedekt met kleine, met het blote oog vrijwel niet waarneembare, korte kalkstekeltjes.

Overig: Kenmerken dier: aan de onderzijde meestal lichtgrijs, gelig, roze of oranje van kleur.

Op basis van monsternames vallen geen landelijke trend en afzonderlijke trends voor deelgebieden te bepalen. Uit de MOO-duikwaarnemingen in de periode 1997-2011 blijkt geen toe- of afname in de Oosterschelde. In het Grevelingenmeer komt tussen 1997-2011 een afname naar voren, gevolgd door gering herstel. In de Westerschelde en het Waddengebied lijkt een afname zichtbaar t.o.v. 1985, alsmede een afname aan areaal. De afname in de Waddenzee zou te maken kunnen hebben met de afname van mosselbanken begin jaren 90. Het ingezette herstel van deze banken en de opkomst van Japanse oesters zouden weer tot een toename van deze soort kunnen leiden.

Voorkomend in geheel Europa, inclusief de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Alleen op IJsland nog niet aangetroffen. In Nederland is dit de enige algemeen voorkomende keverslak.

Op het strand: De dieren leven niet langs de zandige kust maar in de slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied. Meldingen langs de Hollandse kust tussen IJmuiden en Hoek van Holland hebben te maken met aangevoerd materiaal, fossiele schelpplaten of determinatiefouten.

Mariene soort. Leeft onder stenen en schelpen op een zand- of slikbodem,voornamelijk in het getijdengebied, tot enkele meters diep (zelden tot 70 m). Van alle Noordwest-Europese keverslakken kan de Asgrauwe keverslak het beste tegen zoet water (euryhaliene soort). De soort kan strenge winters verdragen, maar ook warmere perioden.

De dieren zijn van gescheiden geslacht. Bevruchting gaat via de waterkolom, in juli-oktober. De larven maken maar kort deel uit van het plankton, zakken dan naar de bodem, waar de rugplaten ontwikkeld worden. De dieren zijn omnivoor en eten vooral algen en siatomeeën. Ze worden doorgaans niet ouder dan 5 jaar.

 140143SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|ANM
Asgrauwe tolhoren
Gibbula cineraria


Lees verder...
Asgrauwe tolhoren
Gibbula cineraria
Mariene huisjesslak. Tot 17 mm, meestal kleiner. Vuilwit met paarsrode schuine streepjes. Mond parelmoerkleurig. Operculum rond, bruin. Stevige kegelvormige horen, met 5-7 matig bolle windingen en een wat hoekige mond. Navel nauw, maar diep. Oppervlak met ondiepe spiraalribben. In Zeeland lokaal op hard substraat (ingevoerd). op het strand fossiel (Eemien).

Lees verder...
Gibbula cinerariaMariene huisjesslak. Tot 17 mm, meestal kleiner. Vuilwit met paarsrode schuine streepjes. Mond parelmoerkleurig. Operculum rond, bruin. Stevige kegelvormige horen, met 5-7 matig bolle windingen en een wat hoekige mond. Navel nauw, maar diep. Oppervlak met ondiepe spiraalribben. In Zeeland lokaal op hard substraat (ingevoerd). op het strand fossiel (Eemien).Afmetingen: H. tot 17 mm, B. tot 17 mm.
Schelpkleur: vuilwit, met een patroon van paarsrode schuin weglopende streepjes. Binnenzijde van de mond parelmoerkleurig. Operculum rond, hoornachtig, bruin.
Schelpvorm: Stevige, min of meer regelmatig gewondenkegelvormige horen, met 5-7 matig bolle windingen. De mondopening is hoekig tot vierkant. Er is een nauwe maar duidelijke en diepe, ronde navel.
Sculptuur: Het schelpoppervlak is meestal bezet met een variabel aantal ondiepe spiraalribben.

Dier:
kop met een verlengde snuit. Koptentakels lang, aan de basis liggen op een korte verhoging de ogen. Voet ovaal, met 3 paar voettentakels. Lichaamskleur crèmewit tot geelgrijs, met paarsige, golvende, dwarsgestreepte vlekken op voet, snuit en ringvormige strepen op de tentakels.
 

Van Noorwegen en IJsland tot Portugal, Gibraltar en Marokko. Aan de vastelandszijde van het Noordzeebekken uitgestorven sinds het Eemien, ca. 100.000 jaar geleden. Vanaf halverwege de jaren 70  bij Yerseke door de schelpdierhandel en -kweek aangevoerd met Oesters, Mossels. In het wild gevonden in 1994. Inmiddels op diverse plaatsen in het Oosterscheldegebied aanwezig op stenen van dijken, op schelpen (oesters) en tussen rood- en bruinwieren, waaronder Gezaagde zee-eik en Japans bessenwier.

Op het strand: Bereikt onze kust soms op drijvende voorwerpen, wier en in eieren van de Wulk, vermoedelijk grotendeels van de Franse of Engelse kusten. Lege fossiele huisjes spoelen frequent aan langs de hele kust en stammen uit het Eemien (Pleistoceen).

Bewoner van rotskusten. Vooral aanwezig langs deels zandige kusten. De dieren leven vooral op beschutte plaatsen onder bruin- en roodwieren in de getijdenzone en in rotspoelen, vanaf iets beneden de laagwaterlijn tot diepten van meer dan100 m. Het voedsel bestaat uit algen en detritus. De dieren zijnvan gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting in de Noordzee waarschijnlijk vooral in het voorjaar. Ronde geelwitte eieren. De soort kan ten minste 3 jaar oud worden. 141782SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
Aziatische korfmossel
Corbicula fluminea


Lees verder...
Aziatische korfmossel
Corbicula fluminea
<p>Zoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 33 mm. Geelbruin tot groengeel. Bij de top vaak paarsachtig. Binnenzijde geelwit, soms iets lila. Dikschalige, rond-driehoekige, schelpen. De top ligt bijna in het midden. Sculptuur van brede, niet zeer dicht op elkaar liggende concentrische ribben. Ingevoerd in ca 1990. Nu algemeen in heel Nederland in zoet, al dan niet bewogen water.</p>

Lees verder...
Corbicula fluminea

Zoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 33 mm. Geelbruin tot groengeel. Bij de top vaak paarsachtig. Binnenzijde geelwit, soms iets lila. Dikschalige, rond-driehoekige, schelpen. De top ligt bijna in het midden. Sculptuur van brede, niet zeer dicht op elkaar liggende concentrische ribben. Ingevoerd in ca 1990. Nu algemeen in heel Nederland in zoet, al dan niet bewogen water.

Afmetingen: H. 30, B. 33 mm.
Kleur: Geelbruin tot groengeel. Vaak paarsachtig bij de top. Juveniele exemplaren hebben vaak vanuit de top stralende paarslila dwarslijnen. Binnenzijde geelwit, soms iets lila
Schelpvorm: Dikschalig. Rond-driehoekig, de top ligt ongeveer in het midden. Slot met duidelijke cardinale en laterale tanden. Sculptuur van stevige, brede,meestal niet opvallend dicht op elkaar liggende concentrische ribben.

 

In grote delen van Nederland inmiddels algemeen.

In alle mogelijke bewogen wateren, rivieren en meren. Leeft deels in en vaak op  zandbodems maar ook wel modderbodems. O.a. massaal in het IJsselmeer en de grote rivieren.

 

181580

SoortenalbumNederlandZoetwaterANM|Exoten
Aziatische korfmossel
Corbicula fluminea


Lees verder...
Aziatische korfmossel
Corbicula fluminea
<p>Zoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 33 mm. Geelbruin tot groengeel. Bij de top vaak paarsachtig. Binnenzijde geelwit, soms iets lila. Dikschalige, rond-driehoekige, schelpen. De top ligt bijna in het midden. Sculptuur van brede, niet zeer dicht op elkaar liggende concentrische ribben. Ingevoerd in ca 1990. Nu algemeen in heel Nederland in zoet, al dan niet bewogen water.</p>

Lees verder...
Corbicula fluminea

Zoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 33 mm. Geelbruin tot groengeel. Bij de top vaak paarsachtig. Binnenzijde geelwit, soms iets lila. Dikschalige, rond-driehoekige, schelpen. De top ligt bijna in het midden. Sculptuur van brede, niet zeer dicht op elkaar liggende concentrische ribben. Ingevoerd in ca 1990. Nu algemeen in heel Nederland in zoet, al dan niet bewogen water.

Afmetingen: H. 30, B. 33 mm.
Kleur: Geelbruin tot groengeel. Vaak paarsachtig bij de top. Juveniele exemplaren hebben vaak vanuit de top stralende paarslila dwarslijnen. Binnenzijde geelwit, soms iets lila
Schelpvorm: Dikschalig. Rond-driehoekig, de top ligt ongeveer in het midden. Slot met duidelijke cardinale en laterale tanden. Sculptuur van stevige, brede,meestal niet opvallend dicht op elkaar liggende concentrische ribben.

 

In grote delen van Nederland inmiddels algemeen.

In alle mogelijke bewogen wateren, rivieren en meren. Leeft deels in en vaak op  zandbodems maar ook wel modderbodems. O.a. massaal in het IJsselmeer en de grote rivieren.

 

181580

SoortenalbumNederlandZoetwaterANM|Exoten
Aziatische mossel
Arcuatula senhousia


Lees verder...
Aziatische mossel
Arcuatula senhousia
Mariene tweekleppige. Glanzend geelgroen, met bruinrode strepen en vlekken. Gemiddeld 20 mm. Langwerpig, soms wat hoekig. Top duidelijk een stukje van de voorrand afliggend. De voorrand is zwak geribd. Het deel aan de achterzijde is ribbelvrij. Spint langgerekte bossen byssusdraden. Op zachtere modderbodems vormen deze 'nesten' waarin meerdere mosseltjes leven. In 2018 waargenomen nabij Goes. Exoot uit West-Pacifisch gebied.

Lees verder...
Arcuatula senhousiaMariene tweekleppige. Glanzend geelgroen, met bruinrode strepen en vlekken. Gemiddeld 20 mm. Langwerpig, soms wat hoekig. Top duidelijk een stukje van de voorrand afliggend. De voorrand is zwak geribd. Het deel aan de achterzijde is ribbelvrij. Spint langgerekte bossen byssusdraden. Op zachtere modderbodems vormen deze 'nesten' waarin meerdere mosseltjes leven. In 2018 waargenomen nabij Goes. Exoot uit West-Pacifisch gebied.Afmetingen: Schelp meestal 2 x 1,8 (maximaal 3,3 cm)
Schelpkleur: Geelgroen met lichtbruine tot roodbruine strepen en vlekken. Het oppervlak is vaak sterk glanzend. Bij grotere exemplaren wordt de kleur donkerder, tot bruin.
Schelpvorm: De top ligt verder van de voorrand af dan bij de gewone mossel. De schelpen zijn langer en komen meer hoekig over. Aan de binnenkant bevindt de top zich achter het voorste spierindruksel. Onder de top is daar een duidelijk rijtje van 8-15 knobbelvormige tandjes te zien.
Sculptuur: De voorrand is zwak geribd. Het deel aan de achterzijde is ribbelvrij, al lijkt dit door de vanuit het topgedeelte uitwaaierende stralende strepen soms anders.
 Het gebied van oorsprong ligt in het West-Pacifisch gebied, van Singapore tot Siberië. Vanuit oost-Azië werden de dieren verspreid naar de Pacifische kust van Noord Amerika, naar Australië, Nieuw-Zeeland en Europa. In Europa vestigde de mossel zich vooral in het zuiden, in de Middellandse Zee en aan de Atlantische kust tot aan de Baai van Arcachon in zuidwest Frankrijk. Daarnaast bestaat er een waarneming uit het zuiden van Groot-Brittannië (2016). Het voorkomen in Nederland is op dit moment het meest noordelijke van Noordwest-Europa. Op 7 juli 2018 waargenomen nabij het Goese Meer. Vermoedelijk al in 2017 aanwezig.De Aziatische mossel leeft vooral in ondiepe, beschutte zeegebieden als estuaria en lagunes. Het zijn filteraars die leven van plantaardig plankton en andere in het water aanwezige voedseldeeltjes. Het water wordt door het dier heegepompt, waarbij de kieuwen het voedsel er uitfilteren. Voor de voortplanting is een periode met hoge watertemperatuur nodig. Het dier heeft een hoge tolerantie voor lage zoutgehaltes en lage zuurstofgehaltes. Hoewel ook de gewone mossels draden spinnen om zich mee vast te hechten, vormen Aziatische mossels vaak opvallend grote en langgerekte bossen byssusdraden waarmee ze zich vasthechten aan stenen, beschoeiingen en ander hard materiaal. Daar waar ze op zachtere modderbodems voorkomen, vormen de draden vaak hele 'nesten' waarin meerdere (2-3, soms 10 of meer) levende mosseltjes zitten en groeien.  SoortenalbumNederlandZoutwaterANM|Exoten
Baardmossel
Modiolus barbatus


Lees verder...
Baardmossel
Modiolus barbatus
Mariene tweekleppige. Tot 65 mm. Paarsbruin tot kastanjebruin, binnenzijde paarslila. Opperhuid bruingrijs, uitlopend in lange, geelbruine, vezelige haren die naar achteren toenemen. Driehoekige schelp, de achterrand gaat met een hoek in de onderrand over. Oppervlak met onregelmatige groeilijnen. Zelden in de Nederlandse Noordzee.

Lees verder...
Modiolus barbatusMariene tweekleppige. Tot 65 mm. Paarsbruin tot kastanjebruin, binnenzijde paarslila. Opperhuid bruingrijs, uitlopend in lange, geelbruine, vezelige haren die naar achteren toenemen. Driehoekige schelp, de achterrand gaat met een hoek in de onderrand over. Oppervlak met onregelmatige groeilijnen. Zelden in de Nederlandse Noordzee.Afmetingen: L. 65 mm, H. tot 40 mm (zelden tot 90 mm).
Schelpkleur: Schelp paarsbruin tot kastanjebruin, voorste gedeelte van de schelp glimmend roodbruin, binnenzijde glanzend paarslila. Opperhuid bruingrijs, ook bij volwassen exemplaren uitlopend in lange, geelbruine, vezelige haren (feitelijk platte, gezaagde uitgroeisels van de opperhuid). Naar achteren toe steeds zwaarder behaard.
Schelpvorm: Vrij stevige driehoekige schelp; de achterrand gaat met een duidelijke hoek in de onderrand over. Bij de top boller dan aan de achterkant.

Sculptuur: Oppervlak met sterk onregelmatige groeilijnen.
Slot: Geen laterale tanden. Ligament uitwendig,op lange slotplaat.

 

Van Ierland en Het Kanaal tot Marokko, de Canarische Eilanden, de Azoren en de Middellandse Zee. In Nederland zelden in de Noordzee. O.a. aangetroffen in het gebied van de Oestergronden. Deze zuidelijke soort leeft hier  aan de noordrand van het verspreidingsgebied.

Op het strand: Langs de Belgische en Nederlandse kust zo nu en dan aangespoeld met wier en andere drijvende voorwerpen.

Leeft met byssusdraden vastgehecht op hard substraat als stenen, palen, grote schelpen en dergelijke, langs rotskusten onder puur zoute condities. Nooit bij verlaagde zoutgehalten. Van het sublitoraal tot een diepte van ca. 100 m. Het zijn filteraars: het voedsel bestaat uit diatomeeën en flagellaten. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting via de waterkolom. De dieren kunnen 6-14 jaar worden.

 140464SoortenalbumNederlandZoutwaterLIMP|SMP|ANM
Baars
Perca fluviatilis


Lees verder...
Baars
Perca fluviatilis
<p>Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.<span style="line-height: 1.5; font-size: 12px; font-style: normal; font-variant-ligatures: normal; font-variant-caps: normal; font-family: Arial, Tahoma, Helvetica, Verdana, sans-serif;">Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit.&nbsp;Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood.&nbsp;Zichtjager, algemeen.</span></p>

Lees verder...
Perca fluviatilis

Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit. Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood. Zichtjager, algemeen.

Afmetingen: Tot 60 cm.
Kleur: Rug groenbruin, flanken lichtbruin met geelbruine tot bronskleurige tint. Buik grijswit. Kenmerkend is het strepenpatroon van meestal zes brede, donkerbruine of grijsbruine dwarsbanden. Aan het einde van de eerste rugvin zit een zwarte vlek. De staart en de onderste vinnen hebben een oranje zweem, of kunnen fel oranjerood zijn. Kop met zeer kleine vlekjes.
Vorm: Baarzen hebben een vrij hoog lichaam met twee grote gestekelde rugvinnen. De bek is uitstulpbaar, de ogen vrij groot. Op het kieuwdeksel zit een stevige stekel. Kaken met veel kleine tandjes.
Vinnen: Rugvinnen gescheiden. De rugvin en anaalvin bevatten zeer scherpe puntige stekels.
Overig: Tot 4,5 kilo. Leeftijd tot 16 jaar.

 Verspreid over bijna heel Europa en Noord-Azië, in meren, plassen, moerasland, rivieren en niet te zoute brakke wateren. De Baars is een smakelijke vis die ook door de mens wordt gegeten. In de vijftiger en zestiger jaren vingen beroeps-  en hengelsportervissers veel Baars in het IJsselmeer en andere grote wateren. De aantallen liepen later terug. Het is echter nog steeds een van de meest algemene roofvissen van ons land.
In Nederland geldt voor de baars een vangverbod van 1 april tot de laatste zaterdag van mei. Dieren tot 22 cm zijn beschermd door de Visserijwet. Niet op de Rode Lijst.
Algemeen in zoet water, ook in licht brak water en in voedselarme wateren (vennen). Vaak een van de eerste kolonisatoren van nieuw aangelegde wateren. Prefereert als zichtjager helder water, maar kleinere dieren komen echter ook regelmatig in meer troebele en kleinere slootjes voor waar ze zich vooral ophouden in de ondiepere waterlagen met voldoende schuilmogelijkheden. De dieren komen  vaak voor in scholen. Grotere dieren zijn meer solitair en leven meer in grote meren, rivieren. Vaak in scholen met dieren van ongeveer gelijke grootte. Paaitijd van maart tot juni in zeer ondiep water. In lange netvormige linten worden tot 200.000 eieren afgezet. De jongen komen na 3 weken uit. Prooi wordt opgezogen met de  uitstulpbare bek. Het voedsel bestaat bij jonge dieren uit muggelarven, wormen, aasgarnalen, insecten en plankton. Grote dieren eten uitsluitend andere vissoorten (waaronder jonge Baarzen). Jaagt gewoonlijk langs de oever en bij de bodem.
Ondanks de vervaarlijke stekels vallen Baarzen vaak ten prooi aan de Snoek.
 151353SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Baars
Perca fluviatilis


Lees verder...
Baars
Perca fluviatilis
<p>Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.<span style="line-height: 1.5; font-size: 12px; font-style: normal; font-variant-ligatures: normal; font-variant-caps: normal; font-family: Arial, Tahoma, Helvetica, Verdana, sans-serif;">Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit.&nbsp;Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood.&nbsp;Zichtjager, algemeen.</span></p>

Lees verder...
Perca fluviatilis

Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit. Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood. Zichtjager, algemeen.

Afmetingen: Tot 60 cm.
Kleur: Rug groenbruin, flanken lichtbruin met geelbruine tot bronskleurige tint. Buik grijswit. Kenmerkend is het strepenpatroon van meestal zes brede, donkerbruine of grijsbruine dwarsbanden. Aan het einde van de eerste rugvin zit een zwarte vlek. De staart en de onderste vinnen hebben een oranje zweem, of kunnen fel oranjerood zijn. Kop met zeer kleine vlekjes.
Vorm: Baarzen hebben een vrij hoog lichaam met twee grote gestekelde rugvinnen. De bek is uitstulpbaar, de ogen vrij groot. Op het kieuwdeksel zit een stevige stekel. Kaken met veel kleine tandjes.
Vinnen: Rugvinnen gescheiden. De rugvin en anaalvin bevatten zeer scherpe puntige stekels.
Overig: Tot 4,5 kilo. Leeftijd tot 16 jaar.

 Verspreid over bijna heel Europa en Noord-Azië, in meren, plassen, moerasland, rivieren en niet te zoute brakke wateren. De Baars is een smakelijke vis die ook door de mens wordt gegeten. In de vijftiger en zestiger jaren vingen beroeps-  en hengelsportervissers veel Baars in het IJsselmeer en andere grote wateren. De aantallen liepen later terug. Het is echter nog steeds een van de meest algemene roofvissen van ons land.
In Nederland geldt voor de baars een vangverbod van 1 april tot de laatste zaterdag van mei. Dieren tot 22 cm zijn beschermd door de Visserijwet. Niet op de Rode Lijst.
Algemeen in zoet water, ook in licht brak water en in voedselarme wateren (vennen). Vaak een van de eerste kolonisatoren van nieuw aangelegde wateren. Prefereert als zichtjager helder water, maar kleinere dieren komen echter ook regelmatig in meer troebele en kleinere slootjes voor waar ze zich vooral ophouden in de ondiepere waterlagen met voldoende schuilmogelijkheden. De dieren komen  vaak voor in scholen. Grotere dieren zijn meer solitair en leven meer in grote meren, rivieren. Vaak in scholen met dieren van ongeveer gelijke grootte. Paaitijd van maart tot juni in zeer ondiep water. In lange netvormige linten worden tot 200.000 eieren afgezet. De jongen komen na 3 weken uit. Prooi wordt opgezogen met de  uitstulpbare bek. Het voedsel bestaat bij jonge dieren uit muggelarven, wormen, aasgarnalen, insecten en plankton. Grote dieren eten uitsluitend andere vissoorten (waaronder jonge Baarzen). Jaagt gewoonlijk langs de oever en bij de bodem.
Ondanks de vervaarlijke stekels vallen Baarzen vaak ten prooi aan de Snoek.
 151353SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Baars
Perca fluviatilis


Lees verder...
Baars
Perca fluviatilis
<p>Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.<span style="line-height: 1.5; font-size: 12px; font-style: normal; font-variant-ligatures: normal; font-variant-caps: normal; font-family: Arial, Tahoma, Helvetica, Verdana, sans-serif;">Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit.&nbsp;Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood.&nbsp;Zichtjager, algemeen.</span></p>

Lees verder...
Perca fluviatilis

Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit. Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood. Zichtjager, algemeen.

Afmetingen: Tot 60 cm.
Kleur: Rug groenbruin, flanken lichtbruin met geelbruine tot bronskleurige tint. Buik grijswit. Kenmerkend is het strepenpatroon van meestal zes brede, donkerbruine of grijsbruine dwarsbanden. Aan het einde van de eerste rugvin zit een zwarte vlek. De staart en de onderste vinnen hebben een oranje zweem, of kunnen fel oranjerood zijn. Kop met zeer kleine vlekjes.
Vorm: Baarzen hebben een vrij hoog lichaam met twee grote gestekelde rugvinnen. De bek is uitstulpbaar, de ogen vrij groot. Op het kieuwdeksel zit een stevige stekel. Kaken met veel kleine tandjes.
Vinnen: Rugvinnen gescheiden. De rugvin en anaalvin bevatten zeer scherpe puntige stekels.
Overig: Tot 4,5 kilo. Leeftijd tot 16 jaar.

 Verspreid over bijna heel Europa en Noord-Azië, in meren, plassen, moerasland, rivieren en niet te zoute brakke wateren. De Baars is een smakelijke vis die ook door de mens wordt gegeten. In de vijftiger en zestiger jaren vingen beroeps-  en hengelsportervissers veel Baars in het IJsselmeer en andere grote wateren. De aantallen liepen later terug. Het is echter nog steeds een van de meest algemene roofvissen van ons land.
In Nederland geldt voor de baars een vangverbod van 1 april tot de laatste zaterdag van mei. Dieren tot 22 cm zijn beschermd door de Visserijwet. Niet op de Rode Lijst.
Algemeen in zoet water, ook in licht brak water en in voedselarme wateren (vennen). Vaak een van de eerste kolonisatoren van nieuw aangelegde wateren. Prefereert als zichtjager helder water, maar kleinere dieren komen echter ook regelmatig in meer troebele en kleinere slootjes voor waar ze zich vooral ophouden in de ondiepere waterlagen met voldoende schuilmogelijkheden. De dieren komen  vaak voor in scholen. Grotere dieren zijn meer solitair en leven meer in grote meren, rivieren. Vaak in scholen met dieren van ongeveer gelijke grootte. Paaitijd van maart tot juni in zeer ondiep water. In lange netvormige linten worden tot 200.000 eieren afgezet. De jongen komen na 3 weken uit. Prooi wordt opgezogen met de  uitstulpbare bek. Het voedsel bestaat bij jonge dieren uit muggelarven, wormen, aasgarnalen, insecten en plankton. Grote dieren eten uitsluitend andere vissoorten (waaronder jonge Baarzen). Jaagt gewoonlijk langs de oever en bij de bodem.
Ondanks de vervaarlijke stekels vallen Baarzen vaak ten prooi aan de Snoek.
 151353SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Basters drijfslakje
Heleobia stagnorum


Lees verder...
Basters drijfslakje
Heleobia stagnorum
Huisjesslak uit brak tot bijna zoet water. Tot&nbsp; 6,5 mm. Glanzend wit, soms doorschijnend. Vaak met aangroeiing. Opperhuid bruin. Operculum lichtbruin. Dunschalig, torenvormig, tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal, bovenin spitser. Mondrand onverdikt. Navel nauw. Groeilijnen en minieme spiraallijntjes. Leeft plaatselijk in binnendijks brak water (Zeeland). Verder niet uit Nederland bekend.

Lees verder...
Heleobia stagnorumHuisjesslak uit brak tot bijna zoet water. Tot  6,5 mm. Glanzend wit, soms doorschijnend. Vaak met aangroeiing. Opperhuid bruin. Operculum lichtbruin. Dunschalig, torenvormig, tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal, bovenin spitser. Mondrand onverdikt. Navel nauw. Groeilijnen en minieme spiraallijntjes. Leeft plaatselijk in binnendijks brak water (Zeeland). Verder niet uit Nederland bekend.Afmetingen: H. tot 6,5 mm, B. tot 3 mm.

Schelpkleur: Glanzend wit, zeer licht geelachtig of doorschijnend en kleurloos. Vaak met aangroeiing op de schelp. Opperhuid geelbruin, schilferig. Operculum hoornachtig, lichtbruin.
Schelpvorm: Dunschalig, torenvormig horentje, met tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal, bovenin toegespitst. Mondrand dun, onverdikt. Navel zeer nauw. Behalve groeilijnen ook minieme spiraallijntjes.

Dier: Zie Opgezwollen brakwaterhorentje, echter de lichte velden, bestaande uit kleine gele pigmentstippen, ontbreken, het oog is ovaal, iets groter dan bij Ecrobia ventrosa en ligt niet op een verhoogde tentakelbasis. Lichaamskleur variabel, egaal licht tot donkergrijs. Snuit vaak donkerder, met lichter uiteinde. Details in de kop-pigmentatie en vooral de gele pigmentkorrels in de tentakels zijn als onderscheidingskenmerk met het Opgezwollen brakwaterhorentje te gebruiken.

 Bekend uit Noordwest-Duitsland en het Middellandse-Zeegebied. In Nederland een zeldzame brakwatersoort, die in Zeeland voorkomt in verscheidene binnendijks gelegen brakke kreken, wielen, watergangen en inlagen. Er zijn geen recente meldingen uit het Waddengebied of van de Hollandse kusten bekend.Brakwatersoort die een brede range van zoutgehalten verdraagt. In Nederland in brak water met een zoutgehalte tussen 2,6 en 13,2‰. Veel lagere, maar ook hogere waarden worden (tijdelijk) ook geaccepteerd. Gewoonlijk van gescheiden geslacht, echter ook voortplanting door zelfbevruchting is waargenomen. De eikapsels bevatten één ei en worden onder andere op de schelpen van soortgenoten afgezet. Geen pelagisch larvenstadium. De verdere levenscyclus is niet goed bekend. 153928SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Berevachtpoliep
Garveia franciscana


Lees verder...
Berevachtpoliep
Garveia franciscana
Hydropoliep. De poliep vormt sterk vertakte kolonies tot 20 cm hoog met assen tot 0.3 mm in doorsnede. Deze kolonies ontspringen uit een dun web van stolonen. De perisarc (buitenste omhulsel van chitine) is geelbruin en kan rimpelig of onduidelijk geringd zijn. De poliepen staan aan het eind van de assen en zijn knotsvormig. Elke poliep heeft 10-12 tentakels die in een krans rond de kegelvormige mondopening staan geplaatst. De mannelijke en vrouwelijke gonoforen (voortplantingsstructuren) staan op aparte kolonies. Mannelijke gonoforen zijn eivormig (0.4 mm lang) en hebben een kort steeltje. Vrouwelijke gonoforen zijn bolrond (0.15 mm in diameter). Mannelijke kolonies zijn meestal ook regelmatiger vertakt dan vrouwelijke kolonies.

Lees verder...
Garveia franciscanaHydropoliep. De poliep vormt sterk vertakte kolonies tot 20 cm hoog met assen tot 0.3 mm in doorsnede. Deze kolonies ontspringen uit een dun web van stolonen. De perisarc (buitenste omhulsel van chitine) is geelbruin en kan rimpelig of onduidelijk geringd zijn. De poliepen staan aan het eind van de assen en zijn knotsvormig. Elke poliep heeft 10-12 tentakels die in een krans rond de kegelvormige mondopening staan geplaatst. De mannelijke en vrouwelijke gonoforen (voortplantingsstructuren) staan op aparte kolonies. Mannelijke gonoforen zijn eivormig (0.4 mm lang) en hebben een kort steeltje. Vrouwelijke gonoforen zijn bolrond (0.15 mm in diameter). Mannelijke kolonies zijn meestal ook regelmatiger vertakt dan vrouwelijke kolonies.  Atlantische Oceaan, Middellandse zee, Grote Oceaan, India, westkust Afrika, Australië.
In Nederland werd G. franciscana vooral veel gevonden in de voormalige Zuiderzee, en nu minder talrijk in o.a. de Westerschelde en het Noordzeekanaal.

verspreiding Nederland: Berevachtpoliep
deze soort groeit op vast substraat en kan ook voorkomen in gebieden met laag zoutgehalte.  117340SoortenalbumNederlandBrakwaterMOO
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus


Lees verder...
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus
Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.&nbsp; Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.

Lees verder...
Hemigrapsus sanguineusKrab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.Afmetingen: Rugschild tot 45 mm.
Kleur: Lichter groengrijs met veel donkere roodbruine tot zeer donkerrode vlekken. Of donker met lichtere, groenbeige vlekjes. Er is een duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op het rugschild aanwezig en er lopen opvallende lichte en donkere banden over de looppoten.
Rugschild: Een vierkant schild met een rechte voorrand en drie tanden aan de zijkant.
Poten: Mannetjes met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweeglijke bovendeel van de scharen. Niet aanwezig bij de vrouwtjes. De scharen van het mannetje zijn een stuk groter dan die van het vrouwtje.
Overig: Mannetjes worden groter dan vrouwtjes [N.B.: hier stond enige tijd per abuis vermeld dat juist de vrouwtjes groter worden; de praktijk wijst echter anders uit (met dank aan Mick Otten). Dit staat ook verkeerd aangegeven in de 'Basisgids strandvondsten' 2019].
 Exoot, afkomstig uit Azië of mogelijk Amerika waar de soort ook geïntroduceerd is. In 1999 voor het eerst ontdekt in Nederland. Sindsdien sterk toegenomen. Komt ook al voor in het Waddengebied.Getijdegebieden, vooral hoog in de getijdezone. 158417SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus


Lees verder...
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus
Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.&nbsp; Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.

Lees verder...
Hemigrapsus sanguineusKrab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.Afmetingen: Rugschild tot 45 mm.
Kleur: Lichter groengrijs met veel donkere roodbruine tot zeer donkerrode vlekken. Of donker met lichtere, groenbeige vlekjes. Er is een duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op het rugschild aanwezig en er lopen opvallende lichte en donkere banden over de looppoten.
Rugschild: Een vierkant schild met een rechte voorrand en drie tanden aan de zijkant.
Poten: Mannetjes met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweeglijke bovendeel van de scharen. Niet aanwezig bij de vrouwtjes. De scharen van het mannetje zijn een stuk groter dan die van het vrouwtje.
Overig: Mannetjes worden groter dan vrouwtjes [N.B.: hier stond enige tijd per abuis vermeld dat juist de vrouwtjes groter worden; de praktijk wijst echter anders uit (met dank aan Mick Otten). Dit staat ook verkeerd aangegeven in de 'Basisgids strandvondsten' 2019].
 Exoot, afkomstig uit Azië of mogelijk Amerika waar de soort ook geïntroduceerd is. In 1999 voor het eerst ontdekt in Nederland. Sindsdien sterk toegenomen. Komt ook al voor in het Waddengebied.Getijdegebieden, vooral hoog in de getijdezone. 158417SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus


Lees verder...
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus
Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.&nbsp; Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.

Lees verder...
Hemigrapsus sanguineusKrab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.Afmetingen: Rugschild tot 45 mm.
Kleur: Lichter groengrijs met veel donkere roodbruine tot zeer donkerrode vlekken. Of donker met lichtere, groenbeige vlekjes. Er is een duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op het rugschild aanwezig en er lopen opvallende lichte en donkere banden over de looppoten.
Rugschild: Een vierkant schild met een rechte voorrand en drie tanden aan de zijkant.
Poten: Mannetjes met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweeglijke bovendeel van de scharen. Niet aanwezig bij de vrouwtjes. De scharen van het mannetje zijn een stuk groter dan die van het vrouwtje.
Overig: Mannetjes worden groter dan vrouwtjes [N.B.: hier stond enige tijd per abuis vermeld dat juist de vrouwtjes groter worden; de praktijk wijst echter anders uit (met dank aan Mick Otten). Dit staat ook verkeerd aangegeven in de 'Basisgids strandvondsten' 2019].
 Exoot, afkomstig uit Azië of mogelijk Amerika waar de soort ook geïntroduceerd is. In 1999 voor het eerst ontdekt in Nederland. Sindsdien sterk toegenomen. Komt ook al voor in het Waddengebied.Getijdegebieden, vooral hoog in de getijdezone. 158417SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus


Lees verder...
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus
Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.&nbsp; Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.

Lees verder...
Hemigrapsus sanguineusKrab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.Afmetingen: Rugschild tot 45 mm.
Kleur: Lichter groengrijs met veel donkere roodbruine tot zeer donkerrode vlekken. Of donker met lichtere, groenbeige vlekjes. Er is een duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op het rugschild aanwezig en er lopen opvallende lichte en donkere banden over de looppoten.
Rugschild: Een vierkant schild met een rechte voorrand en drie tanden aan de zijkant.
Poten: Mannetjes met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweeglijke bovendeel van de scharen. Niet aanwezig bij de vrouwtjes. De scharen van het mannetje zijn een stuk groter dan die van het vrouwtje.
Overig: Mannetjes worden groter dan vrouwtjes [N.B.: hier stond enige tijd per abuis vermeld dat juist de vrouwtjes groter worden; de praktijk wijst echter anders uit (met dank aan Mick Otten). Dit staat ook verkeerd aangegeven in de 'Basisgids strandvondsten' 2019].
 Exoot, afkomstig uit Azië of mogelijk Amerika waar de soort ook geïntroduceerd is. In 1999 voor het eerst ontdekt in Nederland. Sindsdien sterk toegenomen. Komt ook al voor in het Waddengebied.Getijdegebieden, vooral hoog in de getijdezone. 158417SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
Blaaswier
Fucus vesiculosus


Lees verder...
Blaaswier
Fucus vesiculosus
Zeewier. Bruinwier. Tot 50 cm lang en ca 2 cm breed. Olijfgroen tot bruin. Thallus met vrij regelmatige, dichotome vertakkingen. Vooral kenmerkend zijn de luchtblazen, die paarsgewijs aan weerszijden van de duidelijke middenrib voorkomen en in de vork van vertakkingen. Voortplantingsorganen sterk gezwollen. Groeit langs de hele kust op hard substraat in de getijdenzone, vooral onder de zone van Kleine zee-eik. Vooral aspectbepalend in ge&euml;xponeerde gebieden.

Lees verder...
Fucus vesiculosusZeewier. Bruinwier. Tot 50 cm lang en ca 2 cm breed. Olijfgroen tot bruin. Thallus met vrij regelmatige, dichotome vertakkingen. Vooral kenmerkend zijn de luchtblazen, die paarsgewijs aan weerszijden van de duidelijke middenrib voorkomen en in de vork van vertakkingen. Voortplantingsorganen sterk gezwollen. Groeit langs de hele kust op hard substraat in de getijdenzone, vooral onder de zone van Kleine zee-eik. Vooral aspectbepalend in geëxponeerde gebieden.

Afmetingen: Het thallus wordt tot 50 cm lang en tot ongeveer 2 cm breed.
Kleur: Olijfgroen tot bruin.
Vorm: Het thallus heeft vrij regelmatige, dichotome vertakkingen. Deze zijn vaak van uniforme breedte. Soms komt proliferatie voor (uitgroeisel, vaak uit oudere thallusdelen, buiten het normale vertakkingschema om), met name aan de basis. Heel kenmerkend zijn de ronde luchtblazen, vaak paarsgewijs aan weerszijden van de duidelijke middenrib en in de vork van de vertakkingen. Discusvormige hechtschijf. Door omgevingsfactoren kan de vorm van de thallus sterk variëren ten opzichte van de typische variant. Soms vormen de luchtblazen zich anders, bijvoorbeeld vanwege blootstelling aan sterke golven. De voortplantingorganen groeien aan het eind van een vertakking, zijn zelf onvertakt of eenmaal gevorkt en sterk gezwollen.
Textuur: Stevig.

 

Blaaswier is een algemene soort in Zeeland, langs de Noord- en Zuid-Hollandse kust en in het Waddengebied.

Op het strand: Ook aangespoeld wordt Blaaswier veel gevonden. Soms komen de aangespoelde exemplaren zelfs uit Frankrijk of Zuid-Engeland.

Deze soort groeit op hard substraat, alleen in de getijdenzone, vooral onder de zone van Kleine zee-eik. Blaaswier komt voor van blootgestelde kusten tot beschutte dijken, maar is vooral aspectbepalend in geëxponeerde gebieden. Op rustige plekken wordt de plek meestal ingenomen door Knotswier. Fucus vesiculosus is tweehuizig: mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen komen op verschillende individuen voor. Deze soort kan zich het hele jaar door voortplanten. Deze soort is meerjarig en kan zich het hele jaar door voortplanten. 145548SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP
Blankvoorn
Rutilus rutilus


Lees verder...
Blankvoorn
Rutilus rutilus
<p>Zoetwatervis, Tot 45 cm. Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, rug vari&euml;rend van hoog tot slank. Eindstandige bek met relatief kleine mondspleet. De iris van het oog heeft aan de bovenkant een oranjerode vlek (soms ontbreekt deze). Grote schubben. De voorzijde van de rugvin begint gelijk met de voorzijde van de buikvinnen. Rug bruin- tot blauwgroen gekleurd. Flanken zilver van kleur. Buik licht (zilverwit). In de paaitijd loopt de buik van beide geslachten soms roodachtig aan en krijgen mannetjes paaiuitslag (witte knobbeltjes) op de kop en op het lichaam.</p>

Lees verder...
Rutilus rutilus

Zoetwatervis, Tot 45 cm. Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, rug variërend van hoog tot slank. Eindstandige bek met relatief kleine mondspleet. De iris van het oog heeft aan de bovenkant een oranjerode vlek (soms ontbreekt deze). Grote schubben. De voorzijde van de rugvin begint gelijk met de voorzijde van de buikvinnen. Rug bruin- tot blauwgroen gekleurd. Flanken zilver van kleur. Buik licht (zilverwit). In de paaitijd loopt de buik van beide geslachten soms roodachtig aan en krijgen mannetjes paaiuitslag (witte knobbeltjes) op de kop en op het lichaam.

  

Heel Nederland. Algemeen.

Stilstaand en stromend water, in vrijwel alle watertypen: grote meren, plassen, kanalen, vaarten, sloten, rivieren en beken.

 154333SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

  • Inventarisaties
  • Beheeradviezen 
  • Monitoring
  • Exoten

Mariene soorten en ecologie

  • Educatie
  • Artikelen
  • Exoten

 

 

Steun ANEMOON

  • Met een donatie
  • Met waarnemingen
  • Met foto's 
  • Met locatie-omschrijvingen
  • Met maken van artikelen
  • Met organiseren activiteiten

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

 

 

Back To Top